Op maandagochtend 3 mei 1943 ging Will zoals gebruikelijk naar de Rijks Middelbare Landbouwschool in Groningen. Rond 10.30 uur werd hij tijdens de les door enkele Duitse SD’ers uit het klaslokaal gehaald en gearresteerd.
De aanleiding voor zijn arrestatie was een oude windbuks die in zijn studentenkamer stond. Hoewel het om een oude luchtbuks ging, beschouwde de bezetter dit als verboden wapenbezit. De dochter van zijn voormalige hospita had de windbuks eerder gezien. Omdat deze hospita inmiddels kamers verhuurde aan enkele SD’ers van het Scholtenhuis, gaf zij deze informatie aan hen door.
Na zijn arrestatie werd Will meegenomen naar zijn studentenkamer, waar de Duitsers vergeefs zochten naar munitie voor de windbuks. Toen zij niets vonden, werd hij alsnog afgevoerd naar het Scholtenhuis aan de Grote Markt in Groningen. Daar werd hij opgesloten en een dag later door het standgerecht ter dood veroordeeld.
Kort na de bevrijding bleef de familie van Willem Antonie van Rossum zoeken naar zijn laatste rustplaats. Op 31 juli 1945 schreef zijn oom Jan de Haas opnieuw een brief, waarin hij verwees naar informatie die hij eerder had ontvangen. Volgens de burgemeester van Hoogezand waren de lichamen van de op 4 mei 1943 geëxecuteerde mannen na de executie in de richting van Groningen afgevoerd. Daarnaast had zijn zwager D. Bos, voormalig stationschef in Glimmen, hem tijdens de oorlog verteld dat de slachtoffers mogelijk op een sportterrein in de gemeente Haren waren begraven en dat daar vaten met ongebluste kalk waren gezien.
Jan de Haas verzocht de burgemeester van Haren daarom een onderzoek te laten instellen. Hij schreef dat hij, tegenover de ouders van Will, graag wilde zorgen voor een waardige rustplaats voor hun zoon.
De burgemeester van Haren legde direct een verband met de verklaring van marechaussee Jacob Akkerman, die had gezien dat op 2 en 3 mei 1943 lichamen naar de Appèlbergen waren gebracht. In zijn antwoord van 2 augustus 1945 schreef hij echter dat Will vermoedelijk niet in de Appèlbergen was begraven. Omdat Willem Antonie van Rossum pas op 4 mei 1943 was geëxecuteerd, leek zijn overlijden niet aan te sluiten bij de transporten die Akkerman had waargenomen.
Later onderzoek heeft echter uitgewezen dat ook slachtoffers die op 4 mei 1943 werden geëxecuteerd waarschijnlijk naar de Appèlbergen zijn afgevoerd. De stoffelijke resten van Willem Antonie van Rossum zijn ondanks alle onderzoeken nooit teruggevonden. Daardoor behoort hij nog altijd tot de vijftien vermiste slachtoffers van de April-Meistaking van 1943.
Ter herinnering aan Willem Antonie (Will) van Rossum is voor zijn voormalige woonadres in Groningen een Stolperstein geplaatst. Deze herdenkingssteen vertelt het verhaal van de 19-jarige student die tijdens de April-Meistaking van 1943 werd gearresteerd, ter dood veroordeeld en sindsdien vermist is. De pagina beschrijft zijn leven, arrestatie en de totstandkoming van dit blijvende eerbetoon.

