“De grootste verzetsactie tijdens de Duitse bezetting begon niet met wapens, maar met een staking.”
De april-meistakingen van 1943 vormden, na de februaristaking van 1941, de tweede grote staking in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. De stakingen ontstonden spontaan, maar niet zonder aanleiding. Binnen enkele dagen groeide het protest uit tot een massale volksopstand tegen de Duitse bezetter.
De aanleiding
Op 29 april 1943 maakten de Duitse bezetters bekend dat bijna 300.000 voormalige Nederlandse militairen zich opnieuw moesten melden. Zij zouden als krijgsgevangenen naar Duitsland worden afgevoerd om daar dwangarbeid te verrichten.
De maatregel veroorzaakte grote verontwaardiging. Werknemers van machinefabriek Stork in Hengelo waren de eersten die het werk neerlegden nadat zij de bekendmaking hadden gelezen. Via telefonistes, buschauffeurs en andere werknemers verspreidde het nieuws zich razendsnel door het land. Al snel sloten bedrijven, boeren en burgers zich bij de staking aan.
De reactie van de bezetter
De Duitse bezetter schrok van de omvang van de stakingen en vermoedde een georganiseerde verzetsactie. Om de bevolking af te schrikken, werd het standrecht afgekondigd. Iedereen die werd verdacht van staking, samenscholing, het verspreiden van pamfletten of het overtreden van de avondklok liep het risico zonder proces zwaar te worden gestraft.
De uitvoering van deze maatregelen was hard, willekeurig en vaak chaotisch. Rijkscommissaris en politiechef Hanns Albin Rauter gaf opdracht om streng op te treden. Het maakte volgens hem minder uit wie werd gestraft, zolang de executies maar snel plaatsvonden en een afschrikwekkend effect hadden. De namen van de geëxecuteerden werden gepubliceerd op de bekende rode aanplakbiljetten om de bevolking angst aan te jagen.
Verdwijning als terreurmiddel
Naast executies gebruikten de bezetters ook verdwijning als middel om de bevolking te intimideren. Executies vonden vaak plaats op geheime locaties. Vervolgens werden de lichamen op onbekende plaatsen begraven.
Rouwadvertenties en openbare rouwdiensten waren verboden. Begrafenissen vonden meestal in alle vroegte en onder politietoezicht plaats. De bezetter wilde voorkomen dat graven uitgroeiden tot plaatsen van herdenking en verzet.
Noord-Nederland zwaar getroffen
Tijdens en als gevolg van de April-Meistakingen kwamen in heel Nederland 169 mensen om het leven. Van hen waren 56 slachtoffers afkomstig uit Groningen, Friesland en Drenthe:
- 33 uit Groningen
- 24 uit Friesland
- 9 uit Drenthe
Deze drie provincies vormden samen één Standrechtgebied, met de Sicherheitsdienst in Groningen en Leeuwarden als verantwoordelijke autoriteiten.
De Appèlbergen
Van de 56 Noord-Nederlandse slachtoffers werden 34 op een geheime locatie begraven. Eind 1945 werd in de Appèlbergen een massagraf ontdekt. Negentien slachtoffers konden worden geïdentificeerd en in hun woonplaats worden herbegraven.
Vijftien slachtoffers zijn tot op de dag van vandaag vermist. Op basis van historisch onderzoek wordt aangenomen dat zij zich nog altijd bevinden in het moeilijk toegankelijke, moerassige gebied rond de plaats waar het massagraf werd gevonden.
Nog altijd vermist
In heel Nederland werden 97 slachtoffers op geheime locaties begraven. Daarnaast werden zes slachtoffers tijdelijk op een plaatselijke begraafplaats begraven en tien slachtoffers gecremeerd, waarbij de urnen door de bezetter in beslag werden genomen.
In totaal zijn 52 slachtoffers van de April-Meistakingen nog altijd vermist.
Voor de nabestaanden betekende dit een levenslange onzekerheid. Een vermissing eindigt pas wanneer duidelijk wordt wat er met een dierbare is gebeurd en waar hij of zij is begraven. Zolang die antwoorden ontbreken, blijft het verleden voelbaar.
Bron
Deze pagina is mede gebaseerd op het onderzoek van Truus de Witte, auteur van het boek:
Op een onbekende plaats begraven – De April-Meistakingen van 1943, een onderzoek naar oorlogsvermissing.
