De 16 van Trimunt

Zestien willekeurige slachtoffers
Op maandag 3 mei 1943 voltrok zich bij de Duitse radarstelling Löwe bij Trimunt, vlak bij Marum, een van de meest aangrijpende gebeurtenissen van de April-Meistakingen.
In Marum was de onrust groot. In de nacht van 2 op 3 mei waren melkwagens en melkboten onklaar gemaakt en op maandagochtend werd geen melk aangevoerd bij de zuivelfabriek. Ook waren er wegversperringen opgeworpen.
Bij de Duitse radarstelling Trimunt werd die ochtend gewacht op bouwmateriaal voor uitbreiding van de stelling. Toen Duitse militairen rond negen uur op de fiets gingen kijken waarom het materiaal niet kwam, troffen zij op de weg een omgezaagde boomstam aan. De boom was kort daarvoor door wegwerkers van de Provincie Groningen gerooid. Nadat de militairen de stam aan de kant hadden gelegd, lag er enige tijd later opnieuw een boomstam op de weg.
Daarop besloten de militairen zestien burgers uit de buurtschap De Haar op te pakken.
De arrestaties waren willekeurig. Sommige mannen stonden op hun erf met elkaar te praten, anderen werden uit hun huis gehaald of onderweg aangehouden. Volgens het onderzoek van Truus de Witte hadden zij niets met de wegversperringen te maken.
De zestien
Het waren:
- Andries Hartholt (63) en zijn drie zoons Dirk (27), Albert (26) en Hendrik (17) Hartholt
- Berend Assies (29), de aanstaande schoonzoon van Andries Hartholt
- de broers Uitze (25), Jelle (22) en Steven van der Wier (13)
- de broers Karst (24) en Jan Doornbosch (21)
- Eeuwe de Jong (41)
- Sibbele de Wal (34)
- Gerrit van der Vaart (20)
- Geert Jan Diertens (19)
- Friedrich Ludwig (Frits) van de Riet (28), onderduiker uit Heemstede
- Johannes Glas (24), onderduiker uit Dokkum
Onder hen waren dus meerdere leden uit één gezin. De jongste, Steven van der Wier, was pas dertien jaar oud.
Opgesloten in de radarstelling
De zestien werden door de Duitse militairen naar de radarstelling gedreven en daar rond half elf opgesloten. Hun namen werden genoteerd en telefonisch doorgegeven aan de Sicherheitsdienst in het Scholtenhuis in Groningen.
De commandant van de radarstelling, Oberleutnant Berndt, verklaarde later dat de arrestaties bedoeld waren als waarschuwing aan de bevolking. De zestien zouden volgens hem op een later moment weer worden vrijgelaten.
Maar zover kwam het niet.
Rond het middaguur kreeg Johann Gerhard Mechels, een Duitse politiefunctionaris die vanuit Groningen opereerde, te horen dat in Marum mensen waren opgepakt wegens het opwerpen van barricades. De werkelijkheid was anders: de zestien waren niet op heterdaad betrapt, maar willekeurig opgepakt.
Mechels vertrok met leden van de Ordnungspolizei naar Marum en arriveerde rond één uur bij de radarstelling.
Daar vertelde commandant Berndt hem dat de zestien willekeurig waren gearresteerd en slechts als waarschuwing werden vastgehouden.
Het mocht niet baten.
In groepjes van vier doodgeschoten
Mechels gaf opdracht de gevangenen naar buiten te brengen.
De zestien mannen en jongens werden in groepjes van vier opgesteld en doodgeschoten.
Geen van hen had een eerlijk proces gekregen voor hetgeen waarvoor zij op dat moment werden beschuldigd. De slachtoffers waren die ochtend willekeurig uit hun huizen, van hun erven en van de weg gehaald.
Na de executie werden hun lichamen in een bestelwagen geladen. Mechels en de leden van de Ordnungspolizei vertrokken vervolgens richting Groningen.
Daarmee begon een tweede deel van hun geschiedenis: het verdwijnen van hun lichamen.
Naar Groningen en daarna naar de Appèlbergen
De bestelwagen met de zestien slachtoffers kwam later die middag aan bij het Scholtenhuis in Groningen. Vervolgens werd ook het lichaam van Jan Postema, die op de Grote Markt was doodgeschoten, in de wagen gelegd.
Daarna reed de wagen naar de Rabenhauptkazerne. Daar werden ook de lichamen van Berend Trip en Broer de Witte, die daar waren geëxecuteerd, meegenomen.
In de wagen lagen uiteindelijk negentien slachtoffers.
Hun lichamen werden naar de Appèlbergen bij Glimmen gebracht, destijds een militair oefenterrein. Daar werden zij in het geheim begraven.
De families kregen geen graf om naartoe te gaan. Het was onderdeel van de Duitse maatregelen rond de April-Meistakingen dat de plaats waar slachtoffers werden begraven niet bekend werd gemaakt. De Witte beschrijft hoe van 34 Noord-Nederlandse slachtoffers de lichamen werden meegenomen om ze op een geheimgehouden plaats te begraven.
Het massagraf wordt gevonden
Pas na de bevrijding kwam er duidelijkheid.
Op 30 november 1945 werd in de Appèlbergen een massagraf geopend. Al ongeveer dertig centimeter onder het maaiveld werd het eerste lichaam aangetroffen.
In totaal werden negentien lichamen geborgen. Al snel werd duidelijk dat de zestien slachtoffers van Trimunt zich onder de gevonden doden bevonden. Ook Jan Postema en Berend Trip werden geïdentificeerd.
De vondst betekende dat de families van de zestien, ruim tweeënhalf jaar na hun dood, eindelijk hun dierbaren konden begraven.
Op 11 december 1945 werden de zestien slachtoffers gezamenlijk herbegraven in Marum. Voorafgaand aan de begrafenis werd een herdenkingsdienst gehouden in de Gereformeerde Kerk. Daarna vond de begrafenis plaats op het Nederlands Hervormde kerkhof.
Een symbool van de willekeur
Het verhaal van de 16 van Trimunt laat zien hoe willekeurig en hard de Duitse bezetter tijdens de April-Meistakingen optrad.
De zestien werden niet opgepakt, omdat bewezen was dat zij de wegversperringen hadden aangebracht. Zij bevonden zich simpelweg op het verkeerde moment op de verkeerde plaats. Zelfs de commandant van de radarstelling verklaarde dat zij willekeurig waren gearresteerd en weer zouden worden vrijgelaten.
Toch werden ze diezelfde middag gedood.
Onder de slachtoffers waren vaders, zonen, broers en een aanstaande schoonzoon. Vier leden van het gezin Hartholt werden in één klap gedood. Drie broers Van der Wier verloren het leven, onder wie de dertienjarige Steven. Ook de broers Jan en Karst Doornbosch werden samen vermoord.
Hun lichamen verdwenen vervolgens in het massagraf in de Appèlbergen.
De zestien werden gevonden. Andere slachtoffers die tijdens de April-Meistakingen werden weggevoerd en heimelijk begraven, bleven vermist. Juist daardoor vormt het verhaal van Trimunt ook een belangrijk onderdeel van de geschiedenis van de Appèlbergen: het gevonden massagraf bewees wat daar in mei 1943 was gebeurd, terwijl de zoektocht naar andere vermisten nog decennialang zou doorgaan. De Witte beschrijft dat uiteindelijk zestien Noord-Nederlandse slachtoffers vermist bleven en dat verschillende onderzoeken naar hun graflocatie volgden.

..
